De band Leiden met de Kottense school

Bij het sorteren en ordenen van de vele dozen en stapels papier in het archief van de Historische Kring Kotten kwam een dikke map vol informatie over Leidse schoolkinderen tevoorschijn. Alle correspondentie voorafgaand aan deze onderneming en de vele brieven die de kinderen aan de meester geschreven hebben zaten daar in. Eerder schreef J.G. Wilterdink een samenvatting over deze schoolkinderen voor de Ontmoeting.

Het initiatief voor deze onderneming kwam van meester J.G. Wilterdink, zelf afkomstig uit Kotten, die benoemd was tot hoofd der openbare school in de Haverstraat in Leiden. Leiden was voor de oorlog al een arme stad en dit was zo’n beetje de armste wijk van de stad met veel werkeloosheid. De kinderen hadden nauwelijks kleren en vrijwel geen eten meer. Deels kon dat opgevangen worden door de school.

In Winterswijk-Kotten werd het idee geboren om een paar van de ‘Leidse bleekneusjes’ naar Kotten te halen en ze een beetje bij te voeden en kleur op het gezicht te geven. De vraag van meester Gribbroek aan de Kottense kinderen om thuis eens te vragen of hun ouders ook wel voor een paar weken zo een Leids meisje of jongetje  zouden willen hebben leverde een verrassend aantal reacties op.

Meester Gribbroek maakte een lijst met potentiële pleegouders en hun wensen voor een meisje of jongen van een bepaalde leeftijd. In de tussentijd ging meester Wilterdink in Leiden aan de slag om de kinderen te selecteren en door de dokter na te laten kijken. Ze werden allemaal gemeten en gewogen en op luizen onderzocht. Ook moest hij op zoek naar financiële steun om de treinreis van Leiden naar Winterswijk betaalbaar te krijgen.

Met steun van de stichting “Het Vacantie-Kinderfeest” lukte het om een gereduceerde prijs te krijgen. De financiële afhandeling verliep anders dan nu, maar wel even gecompliceerd als tegenwoordig.

Toen alles geregeld was vertrok de groep van 28 kinderen onder begeleiding op zondag 17 mei 1942 voor een verblijf van 6 weken naar Kotten. Wat vandaag de dag ook nog een treinreis is van 2 uur en 45 minuten met twee maal overstappen, was in 1942 aanzienlijk langer, ruim 6,5 uur. Om niet met een zo grote groep kinderen in Utrecht te hoeven overstappen werd in Woerden overgestapt. De tweede overstap was in Arnhem. De overstaptijden waren aanzienlijk, namelijk 1 respectievelijk 1,5 uur. In Winterswijk stonden er voor het station vier boerenwagens klaar om alle kinderen naar de Kottense school te brengen.

De pleegouders stonden de kinderen bij school op te wachten. Alle kinderen hadden een kaartje op hun jas gespeld met hun naam en naam en adres van de pleegouders. De kinderen zouden gewoon opgenomen worden in het dagelijkse leven van huis en school.

Een dag uit het leven van de schoolgaande kinderen zag er ongeveer als volgt uit. Al of niet met moeite moest er om 7 uur wel opgestaan worden. De kinderen wasten zich en ontbeten vaak met een of meer dikke boterhammen en soms ’s morgens al een ei erbij en zeker met een of meer glazen melk, dikke romige melk, zo van de koe.

Alle kinderen liepen op klompen naar school soms wel drie kwartier. Klompen waren er dan ook veel gemakkelijker te koop en een stuk goedkoper (80 cent) dan in Leiden (100-125 cent, als ze al te koop waren). De school begon om negen uur en duurde tot twaalf uur. Dan volgde een lange pauze waarin de kinderen naar huis liepen om thuis te gaan eten. Sommige veraf wonende kinderen aten bij een van de kinderen die dichtbij school woonden.

Het middagprogramma was van half twee tot half vier. De ochtend werd ook nog onderbroken door spelen in de grote tuin bij de school. Taal, rekenen en aardrijkskunde waren in ieder geval belangrijke vakken. Tijdens de taal mochten de Leidse kinderen brieven schrijven naar de meester in Leiden en naar huis. Ook gymnastiek hoorde erbij en soms werd er gezwommen.

Het was een bijzondere situatie met zoveel stadse kinderen in de klas erbij en daarom werd er ook een uitstapje georganiseerd naar het Wooldse Veen. Je zou het een schoolreisje kunnen noemen, ’s-morgens vanaf school gaan lopen en tegen 4 uur in de middag weer terug. Alleen de heen- en terugwandeling samen is al 12 km.

Het was voor allemaal natuurlijk ook wel wennen. Het leren spelen met elkaar, het naar huis terugverlangen, het niet meer naar huis terug willen waren voorbijgaande zaken. Overheersend en dat is goed uit de brieven op te maken, is het enthousiasme waarmee geschreven werd hoe fijn ze het hadden en hoe lekker en veel het eten was.

Grote boterhammen met beleg en roggenbrood of wel zwart brood, eieren al of niet gebakken, vlees, worst en spek en pannenkoeken, vele bekers romige melk dat waren belangrijke ingrediënten van de maaltijden. De beschikbaarheid van eten leidde ertoe dat de kinderen in die zes weken gezamenlijk 125 kg aankwamen. Ook was er in de brieven ruim aandacht voor de dieren. De aanwezigheid van koeien, varkens, schapen, konijnen, kippen en paarden. Als het rijden op het paard niet lukte was er nog wel een varken in de wei waarop dat wel kon.

Enkele van de kinderen werden ingeschakeld bij het werk op de boerderij; zij gaven de kippen te eten en haalden de eieren uit het hok en enkele leerden zelfs de koeien te melken.

De brieven gaven veelal aan dat ze goed waren overgekomen en dat de treinreis toch wel indruk gemaakt had. Aan het einde van de brieven kreeg iedereen de hartelijke groeten nadat geschreven was dat er niets meer te vertellen was.

Sommige kinderen hielden nog jaren contact met hun tijdelijke Kottense pleegouders. Vele jaren later werd er door een groot deel van hen bijgedragen aan de renovatie van het Wilhelminagebouw, uit dankbaarheid voor de tijd in de oorlog in Kotten doorgebracht.

Raymund Roos

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *